Eén naam is onze hope
Eén naam is onze hope,
één grond heeft Christus’ kerk,
zij rust in énen dope
en is zijn scheppingswerk.
Om haar als bruid te werven
kwam Hij ten hemel af.
Hij was ‘t, die door zijn sterven
aan haar het leven gaf.
Vergaard uit alle streken
in heel de wereld één,
werd dit haar zalig teken,
dat allen is gemeen.
Eén bede vouwt de handen,
één zegen breekt het brood,
één vuurbaak staat te branden
in ‘t duister van de dood.
In haar drie-een’ge Here,
nog in haar aardse strijd,
blijft zij met hen verkeren,
wien ruste werd bereid.
Geef dat in uw genade,
o God, ook eenmaal wij
langs uwe lichte paden
gaan tot der zaal’gen rei!
Een Roze Fris Ontloken
Een roze, frisch ontloken,
uit teeren wortel kwam,
want d’oudheid had gesproken:
“Zij bloeit uit Jesse’s stam”
Die heeft een bloem gebracht
al in den kouden winter
te midden van den nacht.
Die bloem van wond’ren luister,
waarvan Jesaja sprak,
bloeid’ op, toen door het duister
het licht der wereld brak.
Toen is in stillen nacht
Maria’s kind geboren,
dat ons Gods heilwoord bracht.
Die bloem, zoo klein en teder,
met haren geur zoo zoet,
brengt ons de zonne weder,
die ‘t duister wijken doet.
O Jezus, mensch en God,
bij U is wel geborgen
ons aardsch en eeuwig lot.
1. Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot, Hij doet zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan met opgestoken vaan;
Hij draagt zijn rusting nog van gruwel en bedrog, maar zal als kaf verdwijnen!
2. Geen aardse macht begeren wij, die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij, dien God ons heeft verkoren.
Vraagt gij zijn naam? Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon, verwinnaar van de troon: de zeeg’ is ons beschoren!
3. En grimd’ ook d’open hel ons aan met al haar duizendtallen,
toch zal geen vrees ons nederslaan, toch doen wij `t krijgslied schallen.
Hoe ook de satan woedt, wij staan hem voet voor voet,
wij tarten zijn geweld; zijn vonnis is geveld: één woord reeds doet hem vallen!
4. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken.
Beef, satan! Hij, die ons geleidt, zal u de vaan doen strijken!
Delf vrouw en kind’ren `t graf, neem goed en bloed ons af,
het brengt u geen gewin: wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken!